Boek – uitgebracht op 8 oktober 2012, uitgeverij Artemis

Alleen maar mijn moeder

Alleen maar mijn moeder

Amsterdam-Noord, begin jaren vijftig. Als de vader van de zesjarige Trees zich op een zondagmiddag met zijn vespa tegen een boom te pletter rijdt, verandert haar leven op slag. Haar wispelturige moeder trouwt met een agressieve alcoholist, en in de jaren die volgen zwerft ze met haar twee verwaarloosde kinderen van man naar man, van huurzolder naar daklozenopvang. Als oude vrouw is Trees’ moeder ziek en eenzaam, en extreem eigenwijs en eigenaardig. Trees kan haar soms niet uitstaan. Toch houdt ze loyaal vol wat ze al haar hele leven heeft gedaan voor haar moeder, die voortdurend in zeven sloten tegelijk loopt: zorgen, verantwoordelijkheid overnemen en regelen. En veel toegeven.

Er is emotionele afstand: het woord ‘mama’ krijgt ze niet over de lippen. Aanrakingen en intimiteit zijn uitgesloten. Desondanks is haar moeder de meest nabije persoon in haar leven. Als duidelijk wordt dat ze gaat sterven, voelt haar dochter een groot verdriet. Niet haar moeder, maar haar kind gaat dood. Nooit was haar moeder zo dichtbij.

Haarscherp beschrijft Trees Roose in Alleen maar mijn moeder de zogeheten parentificatie: moeder wordt kind, kind wordt moeder. In rake observaties, hartverscheurende én hilarische terugblikken komt de relatie tussen de twee vrouwen indringend naar voren.


Fragment

Als ik de dagen daarna bij haar kom, zit ze witjes en ongemakkelijk op haar stoel bij de televisie. De leesloep-met-lamp die ze gekregen heeft, hangt werkeloos aan de muur, en ze kijkt door een zonnebril naar een tenniswedstrijd. Ze heeft een uitgesproken irrationele afkeur van bepaalde spelers. Wat de donkere tenniszusters Williams doen, heeft bijvoorbeeld niets met tennissen te maken, want zoals die zwarten de hele dag in het fitnesscentrum zitten om vervolgens harde ballen te lellen, dat kan iedereen. Bovendien, als er geld te halen valt, dan willen die zwartjoekels wel in beweging komen, en anders niet.

Ze schuifelt voorzichtig naar de keuken.

‘Ik plas nog steeds bloed,’ zegt ze somber, terwijl ze koffie inschenkt en een schaaltje klaarzet met twee droge kano’s erop. ‘Ik zit de hele dag thuis te wachten, maar er belt helemaal niemand van het ziekenhuis.’

Geen wonder, want ik bel dagelijks met de artsen en heb ondertussen ontdekt dat de Italiaanse narcosedokter verkeerde informatie doorgegeven heeft, dat er nog papieren van een andere dokter moeten komen die nu nét op vakantie is en dat er drie secretaresses bezig zijn die niets van elkaar weten. Ik vertel het haar maar niet, zoals altijd beducht voor haar slechte buien.

Je ziet het bij binnenkomst. De kleine, samengeknepen oogjes, de iets te harde klap waarmee de kopjes op de tweedehands natuurstenen salontafel worden neergezet. De truc is dan om met een neutraal onderwerp het gesprek te beginnen en dan te peilen hoezeer ze erop gebrand is daar een negatieve draai aan te geven. Dat vindt ze soms gewoon lekker. Het kan zomaar gebeuren als je er niet op bedacht bent. Niet dat het me veel kan schelen. Het is vaak ook zo weer over, net als bij een klein kind. En uiteindelijk is het allemaal angst en verwarring.

Trees Roose