Winnaar Geert Makprijs dagblad Trouw, 2007

Hoe Hermans verdween uit Haren

De oprit leidt naar de garage waar ooit de flamboyante Morgan stond. Naast de voordeur van de Lindenhof zit een witte, elektronische bouwmarktbel. Daarboven de originele deurbel van de grote schrijver, eenvoudig zwart met een witte knop. Als mevrouw opendoet, een keurige, broze oude dame, zegt zij meteen: ‘U mag best binnenkomen, hoor, maar er valt hier niets meer te zien’.
Niets?
Zijn ziel moest er toch nog zijn, zo wenste ik vele malen vurig, vooral als het besneeuwde rieten dak van de villa opgloeide in de maanschemering van een stille winteravond. Maar ook als de krokussen bloeiden in de imposante tuin, of als de regen er tegen de ramen sloeg, was ik zeker van zijn tegenwoordigheid, ergens in die stoere rietgedekte villa aan de statige Julianalaan. Ik stond er tijdens mijn wandelingen geregeld roerloos stil in het donker, ogen dicht, mijzelf aldus de gelegenheid gevend in die sacrale schemering iets te laten neerdalen van zijn scherpe, rancuneuze geest. Soms meende ik zelfs zijn ietwat snerpende stemgeluid te horen.

Er zouden nu vast mensen wonen, zo stelde ik me altijd voor, die zich in stille eerbied door het huis bewogen omdat ze de herinnering aan de grote kunstenaar koesterden. Zij leidden er, plechtig fluisterend, groepjes liefhebbers rond die met open monden zouden staren naar bijvoorbeeld de stoel waarin de grote meester placht te werken. Hij had hier tenslotte zes mooie jaren gewoond en geschreven en werkte er aan zijn vileine Onder professoren.
Een artsengezin kocht het pand in 1973 van Willem Frederik Hermans, die in dat jaar zijn hele boeltje van Haren naar Parijs liet transporteren. Hij was gebrouilleerd met half Nederland in het algemeen en de Groninger universiteit in het bijzonder. Of hij heimwee vreesde? ‘Ach welneen’, zo sprak hij desgevraagd. ‘Vrienden heb ik nauwelijks. Iedereen weet dat. Het is voor veel mensen moeilijk bevriend te zijn met een auteur. Alles wat zij zeggen, kan tenslotte in een roman terechtkomen. Mijn goede raad: zoek nooit vriendschap met auteurs. Zij dragen een aureool van verraad. Zij moeten ter wille van hun kunst rücksichtslos zijn.’ Hij hield wel veel van zijn huis. Maar als ik beschaafd op de bank zit en mijn koffie drink, dankbaar rondkijkend omdat ik binnen ben gelaten in het heilige-der-heiligen, vindt mijn oog nergens houvast. Binnen is niets meer zoals het was.

De familie voerde een verbouwing door die dermate grondig was, dat er geen spoor van het authentieke jarentwintiginterieur overbleef. De oude journalist Hofland moet hiervandaan ooit, toen hij het huis had bezocht om herinneringen aan zijn overleden schrijversvriend op te snuiven, zwaar ontgoocheld en vloekend zijn teruggereisd naar Amsterdam.
‘Tja, andere tijden, andere mensen’, zegt mevrouw neutraal in de huiskamer, waarin de mode uit de vermaledijde schrootjestijd duidelijk te herkennen is. De zwartmarmeren schoorstenen zijn weggeslagen, de oude en-suite weggebroken, de gestuukte plafonds vervangen door grijze bouwplaten met nepbalken. Het waren tenslotte de opgewekte en frisse jaren zeventig, dus kwam er in het voormalige art deco interieur uit 1928 ook nog een enorme open haard met pizzeria-achtig metselwerk. In de hal verdwenen de oude glas-in-loodvestibule en de degelijke houten trap. Er liggen nu bruine plavuizen in de kale ruimte. Een open smeedijzeren wenteltrap met krullen, supermodern in 1973, voert nu naar de verdieping.

De heer des huizes is klaar met zijn ontbijt en komt naast me zitten, een tikje te dichtbij op de leuning van de bank. Hij is structureel in de war en praat over alles wat hem zo te binnen schiet ‘Mijn man heeft graag aandacht’, zegt zijn vrouw goedmoedig. Het kabinet, oorlog, het Holleeder-proces, alles wat hij die ochtend op de radio heeft gehoord husselt de oude dokter inventief in één verhaal dooreen. Als ik voorzichtig de naam Willem Frederik Hermans noem, zegt hij korzelig: ‘Dat was een psychopaat, die man had gewoon een persoonlijkheidsstoornis, dat weet u toch wel?’ De beroemde schrijver verstoort vandaag hinderlijk zijn behoefte aan ongedeelde aandacht van de bezoekster. Ondertussen gluur ik de oude tuin in en hunker naar een relikwie. Het tuinhek desnoods? Al kon ik maar een deurknop omvatten waar Zijn hand omheen gelegen heeft, maar zelfs die is vervangen door een modern geelkoperen exemplaar. De dokter brengt zijn hoofd dicht bij het mijne: ‘Maar u schrijft? Dan heb ik hier iets voor u wat écht interessant is’. Hij haalt uit zijn binnenzak een verkreukeld kartonnetje dat een kijkdoosje blijkt te zijn. Ik moet erdoorheen gluren en zie een driedimensionale operatiefoto van een soldaat in een operatietent. Hij heeft geen ogen meer. ‘Schrijft u dáár maar eens over’, zegt hij indringend.

Het lukt hier maar niet om ietsje dichterbij de schrijver te komen, die hier resideerde voordat hij naar Parijs vluchtte. Hij werd uitgekotst door heel universitair Groningen en dat kwam nooit meer goed. Pas in 1993 wordt Hermans uitgenodigd voor een literaire manifestatie in het schuldbewuste Groningen. Hij antwoordt vilein dat hij best wil komen, maar enkele voorwaarden heeft: ‘U moet de professoren Tamsma en De Koning op de Grote Markt halfnaakt aan staken binden, langzaam half dood martelen, en vervolgens lichtelijk roosteren boven een kittig houtvuurtje en tenslotte ophangen aan de Martinitoren. Voor minder kom ik niet.’ Liefde voor het noorden had hij sowieso niet veel, het ‘vlakke land waaruit alleen de bomen in de buurt van de boerderijen opsteken als bossen schaamhaar.’
In dit huis is alles verwoest wat met de auteur te maken had. Er is voor de bezoeker niets meer te dromen. De dokter gaat weer naast me zitten op de bank. Mevrouw is inmiddels verdwenen naar een andere afspraak. Hij begint over typmachines. ‘Wist je dat Vestdijk zo zuinig was dat hij liever met een potloodje alle e'tjes van zijn kapotte typemachine met een potloodje bijwerkte, dan dat hij een nieuwe machine kocht?’.
Ook Vestdijk heb ik zeer lief, maar ik wil nu alleen weten waar Willem Frederik in dit huis zijn negentig maniakaal verzamelde schrijfmachines waaiervormig tentoonstelde en waar hij tentamens fysische geografie van de trap wierp.

De papieren die op de hoogste treden bleven liggen, kregen de beste cijfers. Het dringt niet meer tot de dokter door. Hij pakt opnieuw zijn kijkdoosje. ‘Als ik maar een journalist vind die dit op wil schrijven’, zo zegt hij bezorgd, ‘dan komt alles goed. Weet u het nummer van Hofland soms?’ Op de oprit van De Lindenhof zwaait hij me hartelijk na. Eén oude voordeurbel, dat is toch echt te weinig. En trouwens, wie belt er nou aan bij zijn eigen huis? Willem Frederik Hermans is echt verdwenen uit Haren.

Verantwoording

- Vele avondwandelingen langs zijn huis tussen 1982 - 2007
- Gesprek met de huidige bewoners
- NRC Handelsblad van 28 december 1972

De volgende sites:

- www.wfhermans.net, www.wikipedia.org,
- www.schrijversnet.nl/hermans, www.xs4all.nl/~bpolak

- De tekst van Andere tijden van 22 april 2003
- ‘Onder professoren’, W.F. Hermans
- Hermans Magazine nummers 53 en 54 over zijn Harense periode.