Geplaatst in maandblad Onze Taal mei 2007

Zijn adem riekte

Het taalgebruik in processen-verbaal

‘Er verscheen voor mij, verbalisant, een manspersoon die opgaf te zijn genaamd…’
Inbraak, moord, verkeersongeval of verkrachting, al deze delicten hebben één ding gemeen: als er verdachten worden gehoord, komt er een proces-verbaal. Bij het lezen daarvan lijkt het alsof verbaliserende agenten al generaties lang hun kennis doorgeven aan elkaar. Of zo'n proces-verbaal nu in Groningen of Vlissingen wordt opgemaakt, het ademt namelijk eenzelfde sfeer van merkwaardig ouderwets en soms krom taalgebruik. Als taaldocent en parttime rechtbankrapporteur bij de reclassering lees ik daarin al decennialang de eigenaardigste stijlbloemen, ijverig opgetekend door plichtsgetrouwe politiemensen.

Zij leren in hun opleiding om hun bevindingen rond overtredingen en misdrijven zo feitelijk mogelijk weer te geven, omdat hun verslaglegging bij een strafzaak bewijstechnisch van groot belang is. Daardoor ligt de nadruk op objectiviteit. Op generlei wijze mag de persoon van de verbalisant doorklinken in zijn geschreven verslag. Zo kan een agent bijvoorbeeld niet constateren dat betrokkene een mes draagt. Dat wordt al als een mening beschouwd. Hij mag alleen opschrijven dat hij met eigen ogen zág dat zulks het geval was.

Dienstvoertuig

Het curieuze proza dat dit uitgangspunt tot gevolg heeft in gerechtelijke stukken, laat naar mijn idee enkele gemeenschappelijke kenmerken zien.
Gewoon Nederlands is bijvoorbeeld uit den boze. De stijl is vaak stoffig en ouderwets. Als de politie een chauffeur aanhoudt die naar alcohol stinkt, ‘riekte zijn adem naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank’. Het is duister wie deze standaarduitdrukking ooit heeft verzonnen, maar hij is nog steeds gangbaar. Als de politie de verdachte dan nadert, ‘waren wij op dat moment zichtbaar als politieman gekleed en als zodanig duidelijk herkenbaar. Ook reden wij in een opvallend dienstvoertuig. Middels het transparant op ons surveillancevoertuig hebben wij, verbalisanten, getracht de bestuurder te doen stoppen. Deze vervolgde echter zijn weg, en reageerde niet op optische en geluidssignalen.‘ Heeft er dan ook nog eens een ongeval plaatsgevonden, dan verwoorden zij dat als volgt: ‘nadat de slachtoffers waren vervoerd hebben wij, verbalisanten, de plaats delict ruim afgezet met ter plaatse aanwezige collega's…’. Soms is de taal zo abstract, dat de verbalisant zijn eigen woorden even in gewoon Nederlands samenvat. ‘Op grond van hevige emotionele problematiek (aangeefster was overstuur) heeft geen confrontatie in persoon plaatsgevonden’. Ook situatieschetsen moeten in opperste nauwkeurigheid worden weergegeven: ‘Direct nadat wij de politiebus hadden neergezet naderde ons een aantal koplichten, waar met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de verdachte auto tussen moest zitten.

De hierna te omschrijven situatie zal ongeveer analoog aan de windstreken worden weergeven. De genoemde koplampen naderden ons uit zuidelijke richting. De chauffeur zat voorin’. Ouderwetse betrekkelijke voornaamwoorden worden gekoesterd: ‘het wapen welke verdachte in zijn bezit had’ of ‘de videoband welke tijdens de overval in werking was’. Verkeerde trouwens ook: ‘Een bierglas die ik mijn hand hield heb ik richting jongen gegooid’.

Mannelijkheid

Soms wordt het taalgebruik, tegen alle schrijfregels in, bijna ritmisch mooi van alle onnodige herhalingen. ‘Wij verbalisanten zagen dat het geschreeuw van de man de aandacht trok van de belendende terrassen. Wij verbalisanten zagen dat de mensen opstonden om beter te kunnen zien wat er gebeurde. Wij verbalisanten voelden ons in onze goede eer en geweten aangetast door de beledigingen.‘

Of deze, een fragment uit een verhoor: ‘U deelde mij mede dat mijn rol in de steekpartij nog niet duidelijk is. U deelde mij mede dat ik als verdachte wordt aangemerkt. U deelt mij mede dat ik als verdachte niet tot antwoorden verplicht ben’.
Elke verdachte heeft een eigen spreektaal, die zo veel mogelijk naturel in een proces-verbaal naar voren moet komen. Dat gaat vaak goed. Maar als dan bijvoorbeeld tijdens een caféruzie een vechtpartij ontstaat, vertelt de verdachte dat hij zich in ‘een uitgaansgelegenheid bevond’, waar hij ‘aan de bar gezeten was’. Tijdens de ruzie gooide hij het glas ‘met een behoorlijk harde worp richting zijn gezicht’. Hij heeft spijt, omdat hij het slachtoffer ‘geen letsel had willen toebrengen tijdens de schermutseling’. Verdachten gebruiken ook opvallend vaak schrijftaalwoorden als gehuwd zijn, vrouws- of manspersoon, woonachtig zijn, lichaamstaal, naderen en omtrent. Ook slachtoffers worden gehoord. Zo kan het gebeuren dat een vrouw aangifte doet, omdat een man tegen haar zin ‘zijn stijve mannelijkheid in mijn vrouwelijkheid stopte en ik daar ernstig pijn van bekwam’. Uiteraard is er veel aandacht voor een goede behandeling van de aangehouden persoon tijdens zijn verblijf op het bureau.

Een verdachte mag nooit een verklaring afleggen onder ontoelaatbare druk. Zo komt het dat deze zegt: ‘Het verhoor vond plaats in een ontspannen sfeer en ik heb daarover geenszins klachten. U heeft mijn verklaring wederom verwoord zoals ik heb bedoeld en zo op papier gezet. U heeft mij in voldoende mate van drinkwater voorzien en ik heb tijdens het verhoor geen druk van u ondervonden’. Een bereidwillige verdachte zegt bij het verhoor ook nog: ‘Ik weet dat u mij wilt horen omtrent hetgeen er heeft plaatsgevonden. Ik ben bereid daaraan medewerking te verlenen’.

Gesteven geslachtsdeel

Wie er oog voor heeft, haalt ook veel onbedoelde humor uit de pv's. ‘Wij, verbalisanten, hebben van de verdachte vervolgens beiden een arm gepakt en tegen de muur van de woning aangebracht’. Uit een proces-verbaal rond een potloodventer: ‘De man versperde mij de weg met gesteven geslachtsdeel’.

Een politieman die een gruwelijke vondst deed, meldt in zijn verslag in een verkeerd gebruikte beknopte bijzin: ‘zittend op de wc vond ik de dode vrouw’. Nog een voorbeeld van een vreemde zin: ‘Nadat ondergenoemde tolk de aangever zijn verklaring had voorgelezen, volhardde hij daarin en ondertekende deze met de tolk’. Soms zijn de verbalisanten bewust lollig. Na een brand in een paardenstal citeert het proces-verbaal een brandweerman die meldt dat er sprake moet zijn geweest van opzet, ‘want paarden roken nu eenmaal niet in bed’. Eerdergenoemde potloodventer wilde trouwens graag ‘handgrepen’ om van zijn probleem af te komen. Omdat het hen vooral gaat om de inhoud, letten verbalisanten nauwelijks op taalfouten. Die worden veelvuldig gemaakt. Missers als signalemend, enigst kind, buro van politie, u verteld, hij bekend, het meisje die, hij heeft geld gepint, komen veelvuldig voor. Woorden die aan elkaar moeten, worden over het algemeen los geschreven: beneden verdieping, beveiligings bedrijf, schiet wapen, horeca gelegenheid, in beslag neming. Zelfs het streepje in proces-verbaal wordt vaak weggelaten.. Maar goed, als de verdachte eenmaal is ‘afgehoord’, wordt het pv gesloten en als hij dan geluk heeft, wordt hij ‘invrijheid gesteld’.

Nazi's en naties

Natuurlijk doet de politie tegenwoordig steeds beter haar best om de verklaringen, waar dat kan, zo ongekunsteld mogelijk op te tekenen. Een leerlinge die moet vertellen over een seksueel ontspoorde leraar die haar oneerbare voorstellen deed: ‘Ik vond dat vet raar’. Maar ja, vervolgens wel aangifte doen ‘terzake poging tot aanzetten van ontuchtige handelingen bij een minderjarige.’ De tekst van de aangifte moet blijkbaar toch zo dicht mogelijk bij de letterlijke bewoordingen van het desbetreffende wetsartikel liggen. Natuurlijk is het makkelijk glimlachen om de geconstrueerde en onnatuurlijke wijze waarop verbalisanten aan verslaglegging doen. De juridische protocollen rond het opmaken van een proces-verbaal zijn echter tamelijk ingewikkeld.

Daarom zal dit op korte termijn ook niet spectaculair veranderen. En hoe belangrijk het secuur verwoorden is, bleek in 2005 toen twee politieagenten op straat voor nazi's werden uitgescholden. De Leeuwarder rechtbank sprak de verdachte vrij, omdat het proces-verbaal meldde dat zij voor ‘naties’ waren uitgemaakt. Normaalgesproken mag een rechter dergelijke fouten naast zich neerleggen wegens wat genoemd wordt ‘kennelijke verschrijving’. Universitair docent N. Kwakman van de Rijksuniversiteit Groningen vermoedde, zo liet hij in de regionale pers weten, ‘een beetje een lollige bui’ bij de politierechter die ‘misschien de laatste tijd wat al te vaak onzorgvuldige processen-verbaal op zijn bureau heeft gehad en nu dacht dat hij die opsporingsambtenaren eens een keer op hun nummer moest zetten.’

Trees Roose