Column – geplaatst in De Volkskrant

Utrecht

Utrecht is een vreemde stad. Als ik er kom, lopen er mensen, die net doen alsof ze er levensecht wonen en werken. Ze gaan naar hun flat in Overvecht, ze bezoeken de bioscoop aan de Oude Gracht, ze doen hun burgerzaken in het gemeentehuis, ze zitten bij het fonteintje aan de Mariaplaats, ze shoppen op de Steenweg in modezaakjes met teringherrie, ze zitten 's zomers aan de werf langs het water, ze brunchen in de beslotenheid van de Vismarktterrasjes, ze treuren om het opgedoekte schattige dierenwinkeltje met puppies in de etalage aan de Donkere Gaard, ze vergapen zich aan de dure designwinkels in de Domstraat, ze verdoen een hele zaterdagmiddag tussen de boeken bij Broese en Kemink, ze gaan de Utrechtse kerkschilderijen van Pieter Saenredam in het Centraal Museum bekijken,

ze wonen in een grachtenpand met riante stadstuin, ze ergeren zich kapot aan Henk Westbroek, ze houden innig van Henk Westbroek, ze gooien geld in de bakjes van de twee arme Oekraïense accordeonspelers op Hoog Catharijne, ze worden bij ernstige overspanning opgenomen in de Willem Arntz stichting aan de Lange Nieuwstraat, ze doen onderzoek naar de zeldzame mossen die aan de grachtenwanden groeien, ze kunnen zo'n mooi jaren-dertig glas-lood-huis in de Wilhelminaparkbuurt niet betalen, ze genieten van de oude beboomde stadswallen als het gesneeuwd heeft, ze wensen soms dat het Haanengeschrei weer openging om koffie bij tante Jannie te drinken, ze proberen met hun allochtone buren prettig samen te leven, ze studeren er een oude taal, ze kankeren dat ze hun auto niet in de binnenstad kwijt kunnen, ze lopen verliefd door de stille en donkere binnenstad,

ze horen de klok van de Domtoren slaan als ze niet kunnen slapen, ze verbazen zich erover dat er nog steeds zo'n ouderwets snoepwinkeltje aan de Steenweg kan overleven, ze kunnen vanaf Utrecht met de trein alle kanten op, ze raken overweldigd door de nutteloze hoogte van het schitterende interieur van het art-deco hoofdpostkantoor aan de Neude, ze beginnen een leven als kunstschilder en hebben een oud ateliertje aan de Pauwstraat, ze spelen Monopoly en willen Utrecht compleet hebben, ze gaan naar de kaarsenverlichte nachtmis in de kathedraal, ze snuiven de geur van de Douwe Egbertsfabriek op als de wind de goeie kant op staat, ze gaan naar de musical Chicago, ze jatten in hun studentenhuis de kaas van hun buurman uit de gemeenschappelijke koelkast,

ze kijken glimlachend naar het voor gooiende heksen vastgeketende rotsblok aan de Oude Gracht, ze wandelen des zondags kalmpjes in Amelisweerd en eten dan een strooppannenkoek op Rijnauwen, ze hebben een ets van Dirkje Kuik aan de muur, en God weet wat allemaal nog meer. Ik vind dat wel aardig, dat iedereen zo geinig meespeelt en de stad zo succesvol voor mij weet te stofferen. Maar Utrecht is mijn stad, ook al woon ik er al twintig jaar niet meer. En die stad gaat pas leven als ik er ben, begrepen!

Trees Roose