Column – geplaatst in De Volkskrant

Vampier

Naast me in de vroege trein zit een gedistingeerde vrouw.
Streng opgestoken blond haar, strakke zwartbemontuurde bril, kokerrok, kraakheldere witte blouse, gladde nylonbenen over elkaar geslagen. Het is de ambtenarentrein van Groningen naar Den Haag, dus is het is stil, op het geluid van tikkende vingers op laptoptoetsenborden na. Op de bank achter me klinkt zacht gesnurk.
Af en toe zoemt er een mobieltje, en dan hoort men een luid gesprek dat gaat over targets, meetings, follow-ups en evaluaties. Het is duidelijk, ons land wordt in de ochtenduren bestuurd vanuit de eerste klas van de intercity.
De vrouw leest in een boek, onbeweeglijk, met kaarsrechte rug tegen het rode pluche, geconcentreerd, klaarwakker. Met een benagellakte vinger slaat ze af en toe een bladzijde om.

Ik gluur altijd onopvallend naar wat mijn buurman in de trein leest. Je krijgt dan toch even een beeld van de dagelijkse arbeid van je medereiziger. De ene keer lees je mee in de wijdlopige vergaderstukken van de pluimveesector in Nederland, de andere keer in slaapverwekkende nota's met grafieken over de grondwaterstanden in de eerste helft van 2004.
Zodoende loens ik over mijn leesbril naar het boek van mijn buurvrouw. Niet te opzichtig, want dat is weer opdringerig en onbeleefd.
Ik kan de opdruk niet zien, maar ze is zojuist aan een nieuw hoofdstuk begonnen. Als ik mijn nek rek, kan ik de titel daarvan net lezen. Ik moet twee keer kijken om te geloven wat ik daar zie staan.
Hoofdstuk 4 – Hoe verdelgt u de vampiers onder ons?
Instinctief schuif ik wat opzij. Wie is dit?

Ik krijg visioenen van X-files en geheime brigades die opgericht zijn om de aliens en vampiers onder ons onschadelijk te maken. Wij mogen het niet weten, maar zij is voorzitter van een ultrageheime nationale verdelgingscommissie, haar kraakheldere Nina Brink-uiterlijk is slechts schijn. Bloedstollend, en dat zomaar naast mij in de trein. Geïmponeerd vergeet ik mijn eigen beleidsstukken. In Amersfoort staat zij op, schuift haar lamswolgevoerde jas over de schouders en pakt haar tas uit het rek. Ik kijk vol ontzag naar haar op. Ze glimlacht. Even later loopt ze het perron over naar de roltrap. Met hongerige ogen volg ik haar verschijning. Dan kan ik de titel lezen van het boek dat ze onder haar arm klemt: Time-management voor iedereen. De trein zet zich weer in beweging. Een man die sterk vanonder zijn oksels riekt, komt naast me zitten. Zuchtend pak ik mijn eigen stukken. 't Is weer gewoon maandagochtend in de coupé.

Trees Roose